Ineens klopt er iets niet

Ineens klopt er iets niet

We lopen in het bos. Voor ons lopen de kinderen. Boaz een stukje voor ons en Roos een eindje verder. Ze rennen, staan stil bij een hoop takken en lopen verder op ontdekkingstocht. Het is een warme dag en de zon schijnt door de bladeren heen.

Ineens klopt er iets niet aan het beeld. Boaz is langer, groter lijkt het. Ik ga naast hem lopen en vraag hem: ‘In welke groep zit je nu?’ Hij antwoordt: ‘In groep 4’. Langzaam besef ik wat hij zegt. Ik zet een sprint in en ren naar Roos. Ik pak haar op. Draai haar om en kijk naar een ander kind. Het is niet Roos, het is een jongetje van een jaar of twee. Mijn kind. Ik klem het jongetje tegen mij aan en ga zitten tegen een boom. Ik huil, dit is mijn zoontje. Het jongetje dat nu in mijn buik zit. Maar dit is niet Roos. Roos die ik niet meer zal vasthouden als de mijne, die rennend door het bos gaat. De tranen lopen over mijn wangen als ik wakker word. Ik heb gedroomd. Ik heb ‘maar’ gedroomd.

Reageren is niet mogelijk.