Voor elk bezoek een steentje

Voor elk bezoek een steentje

Ze hebben hem geplaatst, het gedenkteken. Het mooiste dat we nog konden doen. En ook moeilijk. Het is een eigen ontwerp geworden. Uitgedacht en uitgetekend, een heel proces. Ik dacht dat ik daar aan toe was. Maar ik vraag me af of je daar wel een keer aan toe bent. Ik wilde het graag en tegelijk ben ik droevig dat het er nu is. Het is af. Maar het zal nooit af zijn. Nadat het monumentje zijn tijd heeft gehad om stevig te blijven staan, plant ik de roos weer terug. Net als nog meer plantjes en de beer. De beer die gelogeerd heeft onder de boom van herinneringen. Zo noem ik de boom waarin houten hartjes, knuffels en speentjes van kinderen hangen. Zoveel liefde en gemis hangt er in die boom. Het is een soort van rots in de branding, een machtige boom op een veld van verdriet.

Het is mooi geworden. Het voelt eigen nu er weer plantjes in staan. Ik krijg er bijna groene vingers van. Maar ik vind het toch fijn om steeds iets te doen. Een beetje aanharken, schoonmaken, bezig zijn. Ik praat tegen haar. Vertel haar hoeveel ik van haar houd.

Ik vergeet weleens de impact die het op anderen heeft gehad en nog steeds heeft. Het is niet alleen ons verhaal. Roos was een onderdeel van een familie, van een buurt, van een kerk, van zoveel mensen om ons heen. Ook anderen rouwen. Ook anderen branden nog steeds een kaarsje.

Het troost mij. Het deelt in mijn verdriet, in mijn rouw. Dat we verder gaan, maar niet vergeten. Dat we overleven en door diep verdriet heen gaan. Bij joodse begraafplaatsen zie je vaak steentjes. Steentjes die bezoekers leggen. Uit respect en dat ze niet vergeten. Een steentje voor elk bezoek. Dat is zo mooi. Soms kom ik tot mijn verrassing een bloemetje, kaarsje of briefje tegen. Ik vind het fijn als mensen gaan. Als ik er dan ben, voel ik de liefde van anderen voor haar. We delen samen in het verdriet. Ik kom hier niet alleen, ik ben hier niet alleen.

Reageren is niet mogelijk.