Gestolen bloemen?

Gestolen bloemen?

‘Wat gaan we vandaag doen?’, vraagt Boaz. Het is de standaard zin elke morgen. Als ik vertel wat we er vandaag op het programma staat en we ook nog even langs Roos gaan, slaakt hij een grote zucht; ‘Nee hè’. Nee, het grafje bezoeken van je zusje is niet echt een leuk uitje. En voor een zesjarige misschien nog wel lastiger. Verdrietige ouders, staan daar maar een beetje. Praten wat, maar niet over hoe mooi jouw treinbaan is. Snappen volgens jou niet wat dood is. ‘Ze ligt daar in de grond. Dan kan ze toch niet in de hemel zijn? Ik heb het zelf gezien, zo in de grond’, zegt Boaz dan. Ik krijg het ook moeilijk uitgelegd.

‘Hebben we bloemen?’, vraagt Boaz. Nee die hebben we niet. Dan kunnen we ook niet gaan, is zijn conclusie. Maar we gaan toch. Bij de begraafplaats is hij druk bezig met gieters en harken vinden, water bijvullen en kaarsjes aansteken. Ineens is hij terug met bloemen. Bloemen? Ik schrik, waar heeft hij die vandaan gehaald? Boaz ziet mijn schrik en zegt: ‘Ik heb ze gevonden, mama, voor Roos.’

Ja gevonden, echt gevonden. Iemand heeft ze gedumpt in een bosje, Boaz wijst mij de plek aan. We leggen de bloemen neer en beloven Boaz volgende week nieuwe te kopen. Want het staat wel heel mooi, met bloemen.

Reageren is niet mogelijk.